Meer lezen

Jan van Heel (1898-1990)

De schilder Jan van Heel behoorde tot de belangrijkste vertegenwoordigers van het naoorlogs realisme. De oprichting van de groep De Realisten, waarvoor de Amsterdammers Nicolaas Wijnberg, Hans van Norden en Theo Kurpershoek verantwoordelijk waren, vormde het strijdbare antwoord op de experimenten van Cobra. In een manifest uit 1951 namen de realisten stelling tegen abstractie, die de kunst in hun ogen inhoudsloos maakte en het menselijke element teniet deed. Deze ´menselijke inhoud´ drukten de realisten bij voorkeur uit in herkenbare voorstellingen, wat echter geenszins betekende dat ze zich gebonden voelden aan een academisch naturalisme. Kurpershoek sprak treffend van het ´omschilderen´ van herkenbare vormen tot beelden van zijn eigen wereld, van zijn eigen realiteit. De realisten schroomden dan ook zeker niet elementen uit het expressionisme en kubisme in hun werk te integreren.

De Haagse tak van de groep realisten was minder fel gekant tegen abstractie. Jan van Heels schilderkunst vormt hiervan een sprekend voorbeeld. Terwijl hij zich in de jaren ´40 bepaalde tot Parijse stadsgezichten en aspecten van het circusleven (clowns), ontdekte hij midden jaren ´50 de kracht van het Spaanse landschap. De machtige Spaanse natuur met haar elementaire vormen, verzengend licht en matte tinten inspireerden hem tot een koerswijziging in zijn kunst. Het naïeve realisme van de voorafgaande jaren verrijkte zich met een drang tot abstrahering, al behield Van Heels werk altijd een natuurgebonden karakter. De criticus Jos W. de Gruyter omschreef zijn nieuwe werkwijze als "…. ruiger, kloeker, strenger dan voorheen. Wie Spanje kent, weet dat dit landschap een absoluut karakter heeft, dat haast ongemerkt een abstractere zeggingswijze in de hand werkt."

Een groot doek Spaans landschap uit 1967, vormt een sterk voorbeeld van zijn werkwijze. Ofschoon figuratieve elementen niet ontbreken, zijn ze opgenomen in een geabstraheerd vormenspel, dat de aandacht fixeert op de werking van vorm en kleur. Het lijkt een poging de natuur te ontleden tot haar meest elementaire waarden. Zijn landschappen uit de jaren ´60 blijven wars van iedere anekdotiek; als geen ander liet hij de eenvoud zijn eigen taal spreken.

Zijn werk bevindt zich o.m. in het Stedelijk Museum in Amsterdam, het Stedelijk Museum in Schiedam, het Centraal Museum in Utrecht, het Van Abbemuseum in Eindhoven, het Gemeentemuseum Den Haag, Museum Boymans van Beuningen in Rotterdam, het Gemeentemuseum Maassluis, Museum de Wieger Deurne, musea in Kopenhagen, Madrid, Montivideo, en Rio de Janeiro.

De expositie is van 20 maart tot en met 19 april

open:  elke 1e en 3e zondagmiddag van de maand van 14.00-17.00 uur en
            do t/m vrij 14.00-17.00 uur, tenzij anders vermeld.

            za 11.00 uur - 12.30 uur

zondag 6 april geopend tot 15.30 uur